- loop
- {{loop}}{{/term}}1 [af-/ontwikkeling] course ⇒ development2 [deel van een vuurwapen] barrel3 [vlucht] run ⇒ flight4 [voortbeweging van een zaak] course5 [voortgang in de tijd] course6 [richting] course ⇒ direction7 [het (harde) lopen] 〈lopen〉 walk, gait; 〈hardlopen〉 run8 [doorgang] aisle, gangway♦voorbeelden:1 de loop van het verhaal • the thread/line of the storyzijn gedachten de vrije loop laten • give one's thoughts/imagination free rein3 op de loop zijn • be on the run/in flight, fleeop de loop gaan (voor) • run away (from); 〈informeel〉 bolt4 de loop van de Rijn • the course of the Rhinezijn tranen de vrije loop laten • not hold back one's tears5 in de loop van de dag • in the course of/during the dayin de loop der jaren • through the years6 de winkel ligt uit de loop • the shop is off the beaten track7 iemand aan zijn loop herkennen • recognize someone's walk
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.